steenrode-baretten.nl

A.Sadat J.Carter M.Begin

Hoe ontstond de MFO

Israëls Minister van Buitenlandse Zaken M.Dayan voerde in 1977 in het geheim overleg met de Egyptische regering. Hierdoor was het mogelijk dat op 19 november 1977 de Egyptische president A. Sadat een rede kon houden in de Knesset, het Israëlische parlement, met een oproep tot vrede.
In Egypte was de roep naar vrede groot en daarom werd deze actie dan ook toegejuicht.
Door de grote verontwaardiging vanuit de Arabische wereld is de vredesconferentie van Geneve destijds opgeschort. Door negatieve uitlatingen van de Sovjet Minister Gromyko kwam de conferentie niet meer tot stand.

Wel was nu de weg vrij gemaakt voor overleg tussen Israël en Egypte met Amerika als onpartijdige gesprekspartner. De Amerikaanse president J. Carter stemde hiermede in en tevens met het Israëlisch verzoek om alle verdragen in Amerika te ondertekenen. Na een voorakkoord op 17 september 1978 kwamen de partijen op 26 maart 1979 in Camp David tot een overeenkomst. In deze overeenkomst lag besloten, dat Israël zich terug zou trekken uit de Sinaï.
Na aanvaarding van de akkoorden van Camp David begon Israël meteen met de terugtrekking van zijn troepen en kwamen diplomatieke betrekkingen tussen beide landen op gang. Resultaat was onder andere het uitwisselen van Ambassadeurs.
De eerste fase van terugtrekking was, na wat verzet van kolonisten, op 23 januari 1980 een feit.
De tweede fase werd op 25 april 1982 voltooid.
Op deze dag belde de Egyptische president Sadat naar de Israëlische premier Begin om hem te feliciteren, waarbij zij elkaar eeuwige vrede hebben toegezegd.

De politieke en militaire ontwikkelingen in dit deel van het Midden-Oosten, waarbij voor Amerika een belangrijke rol was weggelegd, was niet in overeenstemming met het beleid van de Sovjet Unie. Daarom gaf de Sovjet Unie geen toestemming tot verlenging van het mandaat van de UNEF-vredesmacht, dat op 24 juli 1979 afliep. De verantwoordelijkheden van de UNEF-vredesmacht werden derhalve door de VN noodgedwongen overgedragen aan de UNTSO, die sinds 1949 met waarnemers in het Midden-Oosten opereerde. Na dit besluit werden de Amerikaanse en Sovjet contingenten uit de UNTSO teruggetrokken.

Onderdeel van de eerder genoemde Camp David akkoorden was ook dat, na volledige terugtrekking van Israël uit de Sinaï, er een vredesmacht onder toezicht van de Verenigde Naties gelegerd zou worden langs de Israëlisch/Egyptische grens.
Op 19 mei 1981 stelde de voorzitter van de veiligheidsraad de Egyptische regering er officieel van in kennis, dat de Verenigde Naties niet in staat waren om een vredesmacht voor dit doel samen te stellen.
Op diezelfde dag nog werd door Israël, Egypte en Amerika besloten om een multinationale vredesmacht in de Sinaï te plaatsen met de naam: Multinational Force & Observers (MFO).
Onder leiding van de Amerikaanse diplomaat Leamont Hunt en de Noorse Luitenant-generaal Bull-Hansen werd de vredesmacht, bestaande uit troepen van Fiji, Colombia, Uruguay, Nieuw-Zeeland, Amerika, Frankrijk, Engeland, Nederland en Italië, geformeerd.

Op 5 maart 1982 arriveerden de eerste MFO eenheden in Zone C van de Sinaï.
Op 25 april 1982 viel de Sinaï weer volledig onder de soevereiniteit van Egypte.
De MFO was operationeel geworden.
Het ontstaan van de Nederlandse deelname.
In het voorjaar van 1981 werd onze toenmalige regering door de Verenigde Staten gepolst voor deelname aan de Sinaï-vredesmacht. In eerste instantie bleek hiervoor niet veel animo. Maar na de moord op president Sadat veranderde dit en de regering meldde dat Nederland in principe bereid zou zijn om te participeren in de MFO, indien de Europese Gemeenschap als geheel haar goedkeuring zou geven en indien ook andere EEG-landen een bijdrage zouden leveren aan de vredesmacht.

Tijdens de EEG-ministerscoferentie te Luxemburg in oktober 1981 bleef goedkeuring voor de Nederlandse deelname echter uit. Op 26 oktober werd echter onverwacht vanuit Luxemburg bericht, dat Groot-Brittannië, Italië en Frankrijk er toch in beginsel mee instemden troepen voor de MFO ter beschikking te stellen.

Na veel diplomatiek overleg tussen de Verenigde Staten en Israël, werd op 29 november een principeverklaring getekend. Op 31 januari 1982 werd te Jeruzalem het fiat gegeven voor deelname van Europese troepen. De maandag daarop werd gestart met de eerste Sinaï-opleiding te Assen. Het Nederlandse detachement, dat in de MFO het verbindingselement zou gaan voeren werd gevormd door verbindingspersoneel uit de Koninklijke Landmacht, Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine.

Nadat Groot-Brittannië aangewezen was als PM element, maar meteen verworpen door Israël, werd Nederland verzocht haar bijdrage uit te breiden. Eind januari kwam het eerste concept "MP-element", bestaande uit 35 functies gereed. Hierop reduceerde de directeur-generaal de formatie tot 25 man, inclusief de plaatsvervangend commandant en drie juridische klerken. Nederland ging in februari akkoord met de levering met dien verstande dat geen plaatsvervanger noch klerken geleverd zouden worden. Aan Australië werd verzocht om in deze behoefte te voldoen. Op 22 februari 1982 werd hierin toegestemd. Een en ander betekende dat Nederland nog alleen MP functies kon vervullen.

Nog even kwam de Nederlandse deelname in gevaar toen de MFO-geweldsinstructie bekend werd gesteld. Militair personeel kreeg alleen toestemming tot wapengebruik in dien er sprake zou zijn van "noodweer". Bepaald was namelijk dat de force-commander een Emergency-Force kon samenstellen, om onder beleg verkerende MFO-eenheden te ontzetten. Een schriftelijke garantie van de force-commander waarin stond dat verbindingspersoneel bij hoge uitzondering zou worden ingedeeld bij zulk een eenheid deed de Nederlandse regering over de bezwaren heenstappen.
Eind februari 1982 stemde de Tweede Kamer met grote meerderheid in met de Nederlandse deelname aan de internationale vredesmacht in de Sinaï.